Na een stralend weekend in Stockholm met ontspannen zomerse sfeer en na een bezoek aan het charmante vissersdorpje Skarså, slingeren we de rugzak weer op.
De St. Olavsleden dus. Het pad van Olav loopt 560 kilometer van oost naar west tussen Zweeds Selånger en Noors Trondheim.
Met een soort kinderlijk enthousiasme volgen we de bordjes met het logo van de route en verzamelen we zoveel mogelijk stempels. Onderweg komen we kistjes met logboekjes tegen. Hieruit maken we op dat er maar weinig wandelaars voor ons lopen. Dat vertelt ook Tommy, halverwege de eerste etappe. In zijn veranda hangen vlaggetjes van alle nationaliteiten van de wandelaars die langs zijn huis liepen. De Deense vlag op tafel wordt met onze komst vervangen door de Nederlandse. We ‘kennen’ zijn verhaal van Christine, die hier precies vier jaar geleden de (hele!) St. Olavsleden liep. Jarenlang hield Tommy met de precisie van een ex-militair een logboek bij en maakte foto’s van alle wandelaars. Hij zoekt meteen die van Christine op als we hem over haar vertellen. Terwijl zijn vrouw Sigrid koffie zet, tovert Tommy binnen een halve minuut de foto uit een dikke ordner tevoorschijn. Tommy en Sigrid zijn gestopt met foto’s maken en boterhammen smeren, maar voor ons maken ze - met dank aan Christine - graag een uitzondering. We zullen tijdens het wandelen onderweg de komende 100 kilometer nog één keer koffie tegenkomen…
Wie was die Olav eigenlijk? Olav Haraldsson werd in 1015 koning van Noorwegen. Hij wilde het christendom introduceren, maar dat vond niet iedereen een strak plan, waardoor hij werd verbannen. Toen hij jaren later via Selånger te paard terugkwam om zijn troon te heroveren, stierf hij tijdens een gevecht, ruim honderd kilometer voor Trondheim. Een jaar later werd hij heilig verklaard omdat door een wonder zijn wonden waren geheeld.
Nu loopt het pad dezelfde weg. In de Middeleeuwen was het zelfs een van de belangrijkste pelgrimsroutes in Europa. Het pad werd een beetje vergeten en is eind vorige eeuw opnieuw leven in geblazen. En hoewel de route meer door de natuur is gelegd, komen we er al snel achter dat we nog veel over verharde weg lopen. Na etappe twee bedenken we daarom om wat sneller te gaan, we zijn sowieso niet van plan 560 kilometer te lopen. De route is goed te fietsen en vaak zelfs te rijden met de camper. We kiezen de etappes waar de fietsers zich van de lopers scheiden en zoeken zo lopend vooral de bospaadjes op. Afwisselend lopen, fietsen of rijden we etappes van dorp tot dorp, of eigenlijk van kerk tot kerk. Hoewel we daar vaak niemand zien, zijn ze wel vriendelijk en gastvrij bij de kerk in de vorm van bordjes en aanwijzingen. Je mag altijd gebruik maken van water en toilet (als de kerk open is) en soms is er een plek om uit te rusten.
Als de zon schijnt is het allemaal bijzonder lieflijk onderweg door de bruinrode houten huizen met keurig gemaaid gras, het blauwe water van de meren en het heldere groen van het bos. Maar ook de momenten dat de zon het laat afweten, horen bij het gevoel Zweden te beleven. Regelmatig valt er een bui. Het levert mooie luchten op! Het is een ‘slechte zomer’ volgens een bewoner die zijn hond uitlaat. Daardoor is er weinig activiteit op de vele meren, die zich via snelstromende rivieren of kabbelende beekjes aaneenschakelen: het water is te fris, de bovenlaag is dan wel 15 graden, maar eronder is het verraderlijk koud.
Het voelt goed om letterlijk en figuurlijk dicht bij de natuur te staan. We maken veel gebruik van het allemansrecht: in principe mag je overal leven in en van de natuur, zolang je het geen schade aanricht. Je mag vrij overnachten, als het maar niet voor langer is dan één nacht. We komen door het wandelen de mooiste plekjes tegen, waar we vervolgens onze Jumpert neerzetten voor de nacht. Meestal staan we daardoor alleen, kunnen we na een dag wandelen een voorzichtige duik in het koude water nemen en afspoelen met onze eigen warme buitendouche!
Halverwege de tocht maken we met de camper een uitstap in zuidwestelijke richting. Na ruim honderd kilometer Zweeds bos, zien we ineens een rendier! Met zijn imposante gewei moet het haast een mannetje zijn. Hij slentert ons op de weg tegemoet en verdwijnt in het bos, zodra we stoppen om ‘m eens goed te bekijken. De oversteek van deze mooie dieren verklaart de enorme extra koplampen op veel Zweedse auto’s.
We zijn op weg naar een van de vele mooie tips van Petra en Jeroen, onze Scandinavië-deskundigen: Flatruet, een hoogvlakte met subarctisch klimaat. Ik denk aan m’n aardrijkskundelessen: lange koude winters en korte matige zomers. Zoiets was het. Koud is het, tien graden maar, ’s nachts zelfs vijf. Na de zee van bos is het een beetje een onwerkelijk landschap. Op bijna 1000 meter hoogte groeien geen bomen. De hele dag zijn we op de uitkijk naar rendieren of elanden, maar helaas, we zien ze niet. Tot de volgende ochtend tijdens het ontbijt een hele kudde rendieren voorbij dendert. Wat een gaaf gezicht!!
Een ander natuurfenomeen is het licht hier. De schemering is erg lang. Om twaalf uur ’s nachts zie je nog steeds licht aan de horizon en zelfs midden in de nacht is het niet volledig donker (zie foto). Vervolgens piept om 4.15 uur de zon alweer boven de horizon. We hadden hier op de hoogvlakte graag nog een dag gebleven, maar de kou drijft ons terug naar het Olavspad. Daar pakken we - 150 kilometer verder - de wandeldraad weer op vanaf Undersåker. Van hieruit lopen we naar Åre, aan de voet van een skigebied. Het lieflijke landschap gaat, hoe dichter we bij de grens komen, over in een ruiger landschap met grote hoogteverschillen, snelstromende rivieren en de indrukwekkende kracht van brede watervallen.
Bij Åre gaan we met de kabelbaan de berg Åreskutan op. De laatste twee kilometer kun je lopend naar de top op 1420 kilometer. Het werden er zes 😜. Eigenlijk klauteren we meer de berg op; we zijn door alle rotsen een beetje van het pad afgeraakt en volgen nu blijkbaar een trail die in een kilometer zo’n beetje recht omhoog naar de top loopt. We besluiten halverwege toch maar terug te gaan, het is steil, we zijn geen alpine lopers en al helemaal niet op onze gympen. En dan zien we mensen op… een pad. We doen met succes nog een poging daar te komen en lopen alsnog redelijk makkelijk de koffiehut tegemoet! En dan op de terugweg, als we iemand laten passeren, valt Peter bijna van de berg van schrik door mijn plotselinge uitroep: “Kijk daar!” en zien we een kudde geweien boven de rotsen uitsteken! We lopen een stukje terug en zien een van hen een rots oplopen, waar hij net als wij, lijkt te genieten van het uitzicht. Wat een geluk toch weer!
Minder geluk hebben we met de gasfles. Die is nu toch eindelijk op. Dus moeten we het doen met het buitenkookstel, want uitgerekend in Zweden en Noorwegen passen de gasflessen niet op ons systeem. Gelukkig hebben we dus een backup en voor als het erg fris is buiten: hij past prima op het fornuis 😂.
Inmiddels staan we bij een van de grootste watervallen van Zweden: Tännforsen. Christine had ons op het hart gedrukt daar vooral niet aan voorbij te gaan. En terecht!
Al met al hebben we over het Zweedse deel van het Olavspad 100 kilometer gelopen, 50 kilometer gefietst en 100 kilometer gereden. Morgen de grens over, we kijken uit naar Noorwegen!